GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN

Betreden op eigen risico

  • Over mij

Wil je weten wanneer er een volgende blog verschijnt? Vul hieronder je mailadres in:

  • 1 februari 2026

    Zonder getuigen

    Het is zo’n drie maanden geleden gebeurd. De getuigen zullen niet meer weten dat ze überhaupt van iets getuige zijn geweest. Ook niet op welke plek dat was. Mijn gezicht zal in al die herinneringen vervaagd zijn. Net zoals de lange rode zomerjurk, de bruine haren onder de muts, de vreemd gevulde fietstassen en de rieten mand aan het stuur. Ze hebben helemaal niets gezien. Geen drama. Geen paniek. Geen noodgeval. Misschien een vrouw, van middelbare leeftijd, die (te licht gekleed voor de tijd van het jaar) naast haar fiets stond. Heel gewoon op misschien een ongewone plaats, maar verder niets bijzonders. En zo werd het voorval vergeten.

    Ik zat nog niet aan de hormonen. Dwaasheden, stommiteiten en debiele voorvallen waren nog de orde van de dag. Dagen konden een aaneenrijging van pech zijn. Alsof de hele wereld tegen me was. De mist in mijn hoofd en de continue vermoeidheid, die zich als een irritante levensgezel onder mijn vel hadden genesteld, waren altijd aanwezig, nooit behulpzaam. De afzonderlijke delen van mijn lichaam werkten nog wel, maar duidelijk niet meer samen. Mijn leven en lichaam voelden alsof de spelregels waren veranderd. Zonder overleg, of zonder me de nieuwe spelregels uit te leggen. Elke dag was balen. En de ene wat meer dan de andere.

    Die bewuste dag, had ik – geluk bij een ongeluk – een redelijk goede dag. Ik was op tijd én voorbereid de fiets opgesprongen. Voorbereid wil zeggen dat ik een leuke zomerse jurk en lange vest aanhad, omdat de koukleumen op kantoor in de meerderheid waren en niet compatibel met mijn vapeurs. Niet zo heel ver van huis werd ik een weerstand gewaar. Nog voor ik me kon afvragen wat er aan de hand was, kwam mijn fiets abrupt tot stilstand. Bovendien hadden de vest en jas me op het zadel vastgeschroefd, waardoor ik – als in een cocon – kwam vast te zitten. Het daagde meteen: een van de kunstige stroplintjes onderaan mijn vest, was verstrikt geraakt in het draaiende achterwiel. Ik kon geen kant meer uit, laat staan met de voeten aan de grond.

    Helemaal tot stilstand gekomen moest ik wachten tot ik langzaam opzij zou beginnen vallen. Dat gebeurde in slow motion tot ik met het puntje van mijn linkervoet de grond raakte. Ik haalde opgelucht adem, maar zat dan nog wel steeds vastgesnoerd op het zadel van de fiets. Als een vlinder heb ik me uit de lange cocon kunnen wriemelen: eerst de schouders, dan de kop en daarna de armen. Om vervolgens, bij een temperatuur zo rond het vriespunt, in mijn zomerse rode jurk, het debacle te maskeren. Met de grootst mogelijke nonchalance probeerde ik de vest en jas (nog steeds verstrikt in het achterwiel) in mijn fietstassen te proppen, in de hoop dat niemand zou merken wat er gebeurd was.

    Daar blijven staan tot de ochtendspits voorbij was, was natuurlijk ook geen optie. Dus begon ik te prullen. De jas kon ik redden maar de lintjes en de vest waren een verloren zaak. Er zat niets anders op dan de wederhelft op te trommelen (Breng een schaar mee!) en hem daarna terug naar huis te sturen om het fietsenrek te halen. Dat ik dat niet had zien aankomen, fulmineerde hij, maar dat het al zo lang goed is blijven gaan, repliceerde ik. Mijn redder in nood leende me, met enig wantrouwen, zijn fiets uit, maar was tegelijkertijd onverbiddelijk: het zadel ging zo laag mogelijk en er mochten op de fiets enkel nog broeken (met broekklem!) gedragen worden. De wederhelft opperde nog iets over veterloze schoenen, maar ik deed alsof ik hem niet kon horen, was al terug op weg, er was geen tijd meer te verliezen.

  • 18 januari 2026

    De trap

    Ik zat al terug op de fiets, op weg naar het volgende onaangekondigde huisbezoek, toen ik iemand hoorde roepen: ‘Ja? Ja?’  Ik keek om me heen. Er was verder geen ziel te bespeuren, dus de kans dat er op mij geroepen werd was bijzonder groot. Maar ik zag dus niemand, ook niet in de deur waar ik zonet vruchteloos aangebeld had. ‘Ja?’ De stem galmde tussen de rijhuizen en kwam duidelijk van hogerop. Ik richtte mijn blik naar boven. En inderdaad: boven de garagepoort van makkelijk vier meter hoog stak een man met een warrige grijze haardos zijn hoofd uit het raam. ‘Komt ge voor mij?’

    ‘Denk ik wel,’ riep ik terug en voor alle zekerheid gooide ik de naam van de man die ik zocht erachteraan.

    ‘Dat is mijn naam!’ riep hij terug.

    ‘Wel, dan wil ik u spreken!’

    ‘Gaat het over die veertienduizend euro?’

    ‘Nee, niet over veertienduizend euro,’ stelde ik hem gerust.

    ‘Ik kom naar beneden, riep hij. Moet ik iets meebrengen?’

    Moet ik iets meebrengen. De woorden zullen me nog lang achtervolgen, maar daar, op dat moment, zag ik er geen graten in. Ik maakte me ervanaf met een kwinkslag: ‘Een goed humeur, meneer.’

    ‘Watte?’ De man had me niet gehoord. Misschien was dat maar goed zo. De grap zou op een koude steen gevallen zijn, nog voor die het raam van die hele hoge eerste verdieping bereikt had.

    ‘Niets, meneer.’

    De man sloot het raam en deed na lang wachten de voordeur open. Op zijn pantoffels en in zijn oude velours kamerjas leek hij weggelopen te zijn uit een aflevering van Columbo. Ik legde hem uit dat er een achterstal was bij de watermaatschappij waarvoor ik samen met hem een oplossing wilde zoeken om zo een begrenzing te voorkomen (want dat is wat ik doe tussen negen en vijf: afsluitingen en begrenzingen van nutsvoorzieningen voorkomen).

    ‘Vierhonderd tweeënvijftig komma zessendertig, om precies te zijn,’ specifieerde ik.

    ‘Maar, ik heb gisteren alles betaald,’ zei hij, en: ‘Wacht, ik zal ’t u laten zien.’

    Héél traag zag ik hem zich een weg banen – tussen dozen, kapotte stoelen en een afgedankte compressor – naar de steile trap, en nóg trager zag ik hem die trap opgaan. Vijf minuten duurde zijn queeste. Terug in de deuropening foeterde hij op de tablet die niet wilde meewerken.

    ‘Kijk,’ zei hij na een hele tijd en hij duwde een bewijs van zijn betaling onder mijn neus.

     ‘U draaide twee getallen om,’ constateerde ik.

    ‘Watte?’

    ‘Zie daar, meneer: de vijf en de twee. U betaalde vierhonderd vijfentwintig. Geen vierhonderd tweeënvijftig.’

    ‘Dat is juist.’

    ‘Dus u betaalde te weinig.’

    ‘Maar nee, meiske! Ik betaalde exact het gevraagde bedrag,’ zei hij en ‘Wacht, ik zal ’t u laten zien.’

    En nog voor ik hem kon tegenhouden, baande hij zich een weg tussen de rommel en ging hij de trap op. Vijf minuten later stond de man terug beneden. ‘Kijk, meiske. Hier staat het: in deze brief.’ Hij duwde een vodje papier in mijn handen.

    ‘Hier staat vierhonderd tweeënvijftig. Geen vierhonderd vijventwintig, meneer.’

    ‘Watte?’

    ‘Zwart op wit, meneer. Vergelijkt u de twee. Kijk: hier in de brief… en daar op je tablet… De vijf en de twee…’

    ‘Die zijn omgedraaid, meiske.’

    ‘Dat kan de besten overkomen, meneer.’

    De man keek op, zijn leesbril schoof naar het puntje van zijn neus. ‘Ik zen awen tijd aan ’t verdoen, hé.’

    ‘Het is oké, meneer. Dit is mijn job. Ik maak graag tijd voor u.’

    ‘Hoe gaan we dit oplossen, meiske?’

    Ik nam een pen en de stapel dossiers met het zijne bovenaan en antwoordde: ‘Ik zal me informeren bij de watermaatschappij en u dan laten weten hoeveel u nog exact moet betalen. Doe ik dat via mail of wilt u dat ik u opbel?’

    ‘Ik ben ne ouwen vent, meiske. Kunt ge bellen?’

    ‘Natuurlijk. Wat is uw telefoonnummer.’

    Hij gaf zijn nummer, begon te twijfelen en zei dan: ‘Wacht, ik ben niet zeker.’

    Weer baande hij zich een weg tussen de rommel, weer klom hij zijn trap op en weer duurde het vijf minuten voordat hij terug beneden stond. Ik was ondertussen al in de weer met het voorbereiden van mijn volgende huisbezoeken in de hoop zo wat tijd te kunnen inhalen en daar was ik mee bezig toen hij in de deuropening verscheen met zijn gsm in de hand.

    ‘Amai, ge hebt precies nog veel werk.’

    ‘Dat is maar een gedacht, meneer,’ glimlachte ik.

    Na even scrollen in zijn contactenlijst vond hij zijn nummer en verwisselde twee cijfers.

    ‘Misschien dat u voor alle zekerheid ook uw gsm-nummer opgeeft?’

    ‘Dat heb ik niet.’

    Maar u heeft uw gsm in uw handen.’

    ‘Ja, het toestel mevrouw, maar dat nummer ken ik niet vanbuiten. Dat ligt boven. Zal ik…?’

    ‘Laat maar,’ zei ik in de stelligste overtuiging dat de man niet vaak zijn huis verlaat.

    ‘Ik zen awen tijd aan ’t verdoen, hé.’ Ik begon te vermoeden dat hij dat wel vaker zei.

    ‘Geen probleem, meneer. Ik zal u op de hoogte houden.’ Ik overhandigde hem een kaartje met mijn contactgegevens. ‘Als u nog vragen heeft, aarzel niet en bel me op dit nummer.’

    Dat deed hij nog diezelfde dag, en de dagen erna…

  • 21 december 2025

    Kansen

    2025 loopt op zijn einde. Zoals elk jaar moet ik beslissen of ik nog een jaar langer deze stukjes wil schrijven. Ik leg kosten, investering en opbrengst naast elkaar en turf in mentale excelletjes. Elke boekhouder zou me zonder verpinken adviseren de pen neer te leggen. Ook niet bevorderlijk: de ene na de andere columnist gaf er de brui aan dit jaar. Van Wouter Deprez in de Standaard tot Joris Van der Aa in Gazet van Antwerpen. Voor hem was het verzinnen van columns niets minder dan een lijdensweg geworden, schreef hij in zijn laatste stuk. Ik ken het gevoel. Het lege scherm. Het onderwerp dat zich niet wil aandienen. Het uitstellen tot het te laat is.

    Ook al was de regelmaat zoek, ik ben dit jaar blijven schrijven. Misschien omdat deze blog een kans is die ik kreeg, greep en die ik — schrijvend, twijfelend — vastgehouden heb. Misschien brengt het me ooit ergens. Misschien ook niet. Maar als ik ermee ophoud, is het voorbij. Er is geen pauzeknop en al helemaal geen terugspoelknop voor kansen. Geen undo. Hoogstens iets nieuws dat zich aandient, maar daar ben ik op dit moment niet naar op zoek. Nieuwe dingen brengen gedoe met zich mee. Daar heb ik even geen zin in. Geen nieuwe job. Geen nieuwe hobby. Geen nieuwe vakantiebestemming. Laat me maar doen.

    In Antwerpen is het dezer dagen over de koppen lopen. Ik was er zelf niet bij, maar hoorde op het nieuws dat straten en pleinen afgesloten moesten worden voor de vele shoppers en gezelligheidszoekers. De binnenstad baadt nu dag en nacht in sfeer en kerstverlichting. Kerstkramen staan van het Operaplein tot aan de Schelde. Van gefrituurde kip met kaviaar tot oesters met Bloody Mary (ik verzin het niet): alles is te koop op de grootste kerstmarkt van Vlaanderen. En alles glanst.

    Na de obligatoire suikerwafel, chocolademelk en jenever worden kerstmutsen afgezet en keert iedereen huiswaarts. Daar liggen de cadeautjes onder de mooi versierde kerstbomen. Met de verwarming op twintig gaan jassen, sjaals en wanten snel uit. De salonzetels zijn er zacht en uitnodigend en er is een assortiment thee. Geborgenheid als vanzelfsprekendheid. Iedereen keert graag terug naar die thuis waar warmte en knusheid wacht. Toch?

    Een juf vertelde me onlangs over een lessenreeks rond Alice in Wonderland. Als afsluiter vroeg ze de leerlingen van het vijfde leerjaar drie dingen neer te schrijven die onmogelijk zijn. Boeken die praten. Op de rug van een walvis zwemmen. Onsterfelijk zijn. Eén leerling bleef stil. Het was weer datzelfde kind dat niet wilde meewerken. Of niet kon. De juf kon er haar vinger niet opleggen, dus spoorde ze hem aan. Na lang aandringen zei hij: een eigen slaapkamer. Dat was voor hem het onmogelijke. Geen dromen. Geen gadgets. Geen cadeau onder de kerstboom. Gewoon een plek voor zichzelf.

    De situatie was herkenbaar. ‘Jij hebt de kinderen in de klas, ik begeleid als maatschappelijk werker de ouders,’ zei ik tegen de juf.  Die gezinnen wonen in te kleine appartementen met armtierig meubilair en keukens waar elke week de schimmel van de muren geschrobd moet worden. Daar staan geen uitnodigende salonzetels. Daar is geen assortiment thee. Daar zijn dagen dat er helemaal geen verwarming is. Daar delen kinderen slaapkamers en speelgoed. Ze hebben één laptop met een beurtrol. Geen bureau om aan te studeren, geen deur om te sluiten. Geen pauzeknop en al helemaal geen terugspoelknop voor kansen. Zij hebben geen undo.

    Soms is het beter je dat niet te levendig voor te stellen.

    De warmte, onze thuis, de gezelligheid waarin wij leven en de me-time die we ons permitteren — luxe die we al lang niet meer als luxe ervaren — is welverdiend. We hebben er hard voor gewerkt. Dat is de legitimering die als echo’s aan de toog, bij koffieapparaten en op familiefeesten blijft doorklinken. We mogen alleen niet vergeten dat we eerst de kans kregen om goed te studeren. Om hard te werken. Om fouten te maken zonder dat die ons meteen de das omdeden. Om warm te zitten. Om cadeautjes met onze naam op onder een boom te zien liggen.

    Misschien is dat waar kansen over gaan. Niet over ze grijpen of laten liggen, maar over wie ze überhaupt aangereikt krijgt. Stoppen is ook een legitieme keuze, maar blijven schrijven is, ondanks alles, misschien mijn manier om die gedachte vast te houden en dankbaar te zijn. Niet omdat het moet. Niet omdat het rendeert. Sommige kansen verdwijnen stilletjes, gewoon omdat je even de schouders laat hangen. Of even niet oplet. Daar ben ik nog niet klaar voor.

    Tot in 2026. Maak er een mooi eindejaar van…

  • 30 november 2025

    De botsauto’s

    Ik mijd dingen die ik niet graag doe. Kerstmarkten onder andere, maar met stip op één staan toch wel kermissen. Het is een plaats waar de wereld zichzelf overschreeuwt. Wat haat ik de herrie, de kakafonie, de stroboscopen, de jengelende kinderen, de geuren en plasjes braaksel. Mijn weerzin groeit bovendien recht evenredig met de grootte van de kermis. Vanaf het moment dat ze het een foor noemen gaan bij mij alle alarmbellen af. Zo kan je je niet inbeelden wat de Novemberfoor in Lier met me doet. Volgens mij ziet het voorportaal van de hel er zo uit.

    Uitweiden over de reden waarom ik er was ga ik hier niet doen, maar ik kon er niet onderuit. ’t Was van de moetens. Tegen een bakstenenmuurtje dat de foor omzoomde stond ik, zo ver mogelijk van het schijnbaar verplicht enthousiasme, als buitenstaander te kijken naar de andere bezoekers. Het gekrijs, de muziek, de roepende foorkramers en het lawaai van de dieselgeneratoren, zoemden rond mijn kop als een zwerm wespen die ik niet van me kon afslaan. Met mijn sjaal voor de neus probeerde ik de geuren van de foor én mijn aversie te maskeren.

    Een foor laat precies zien hoe mensen veranderen als er teveel prikkels zijn.

    Mijn oog viel op een vader, onverstoorbaar kalm, en zijn zoontje, met een voorbarige stoerheid, bij de kassa van de botsauto’s. Ik herkende de mix van spanning en zelfoverschatting die kinderen krijgen wanneer ze voor het eerst iets “alleen” mogen doen. De heilige overtuiging dat wanneer ze zelf iets doen, dat ook écht beter is. De jongen glimlachte niet. Zijn mond, de lippen stevig op elkaar geknepen, wrong zich in een geforceerde boog. Ongeduld, opwinding, angst: alles krioelde tegelijk op die jongen zijn gezicht. Zijn hippe sneakers bewogen op de beat van de technomuziek. Doef. Doef. Doef. Ik wed dat zijn hart even snel pompte.

    Opgedraaid als een koopjesjager die bij opening van de uitverkoop zijn verstijfde benen warmloopt, rende de kleine naar de dichtstbijzijnde vrije botsauto. Die konden ze hem al niet meer afnemen. Hij klemde zijn handen stevig om het stuur, keek naar zijn vader en taxeerde zijn tegenstanders in de andere botsauto’s.  Zenuwachtig op en neer wippend vergat hij hoe traag seconden tellen als je verwachtingsvol op iets wacht. Wanneer de lichten begonnen te knipperen, de muziek veranderde en er een claxon door de rokerige lucht van de attractie sneed, kwamen de botsauto’s in beweging. Allemaal. Behalve de zijne.

    De paniek die zijn gezicht overspoelde had iets aandoenlijks: rauw, eerlijk, zonder filter begon de jongen op zijn vader te roepen. Die botste helemaal aan de andere kant als een bezetene tegen de andere auto’s aan. ‘Jeton! Jeton!’ zag ik de foorkramer schreeuwen en hij beeldde uit hoe de jongen moest starten. Dat lukte en de jongen stampte zonder aarzelen op zijn pedalen, alsof hij daar de verloren tijd mee zou kunnen inhalen. Ik wist dat hij daar spijt van zou krijgen. Een welp hoort niet uit te halen naar de leeuw.

    Te snel. Te hard. De kleine schoot vooruit naar het midden van de arena. Gevangen in een wirwar van rubberen botsbanden en vlaggetjes die elektrische vuurvonken maken. De eerste botsing kwam van opzij. Hard en onverwacht. Het was een klap die de lucht uit zijn longen duwde. Er ontsnapte hem een gil. Dan zag ik dat zijn onderlip begon te trillen. Ik had met hem te doen. Dit was nog maar het begin. Hierna ging hij pas écht weten hoe traag seconden tellen als je verwachtingsvol op een einde wacht.

    Zijn botsauto werd vooruit geramd, achteruit geduwd en midscheeps weggekatapulteerd. De jongen zijn armen werkten koortsachtig: draaiden vruchteloos, corrigeerden (een poging althans) en draaiden nog eens aan het stuur. Tegelijkertijd zag ik hem hard op de pedalen stampen. Hij schoot vooruit, dan weer achteruit. Kwam helemaal nergens uit. Behalve dan telkens weer in het midden van de arena. Het hoofd van de jongen wiebelde zoals de bobblehoofdpoppetjes die je op dashboards ziet. Zonder stoppen werd hij vanuit elke windrichting geraakt.  Hard geraakt. En in al dat draaien en botsen voelde ik een golf van misselijkheid door mijn lijf trekken.

    Hoe hij het gedaan heeft, God mag het weten, maar de jongen bereikte uiteindelijk toch de rand van de attractie. Daar bleef hij zitten, Het stuur stevig omklemd, de knokels wit, in elkaar gedoken, alsof hij zich onzichtbaar wilde maken voor het geweld van de anderen. De opluchting op zijn gezicht wanneer de lichten doofden was die van een kind die met Kerst krijgt waar het om gevraagd had. Wankel, maar niet gebroken, stapte hij uit zijn wagentje en liep recht op zijn vader af. Licht hijgend, met een triomf die ik waarschijnlijk nooit zal begrijpen.

    ‘Gaan we nog eens,’ zag ik hem vragen. Zijn vader schudde het hoofd, legde zijn arm om de schouder van zijn zoon. Een keer was genoeg geweest. De jongen reageerde opgelucht en teleurgesteld tegelijkertijd. Net zoals ik.

  • 16 november 2025

    Schaamte

    Op de parking van het ziekenhuis was mijn auto tegen die van een ander gebold. Er waren geen inzittenden, dus ook geen gewonden. Het moet ook heel erg traag gebeurd zijn, want de parking van AZ Klina is heel erg plat. Het was op een cynische manier de kers op de taart, die dag. Ik hou dan wel van cynisme, maar heb een hekel aan gedoe. Ik schaamde me kapot. De politieagenten waren nochtans heel vriendelijk en behulpzaam bij het invullen van het aanrijdingsformulier.

    De andere auto had geen schram. Dat die eigenaar ervan zijn tijd wilde verkwanselen aan het invullen van het aanrijdingsformulier, kon er bij mij niet in. Tot ik hem de combi zag uitstappen: een tachtigplusser, helemaal van de kaart. Wie weet welk nieuws had hij net in het ziekenhuis gekregen. Ik verontschuldigde me voor het oponthoud, maar hij keek dwars door me heen, met glazige ogen. Het zou cataract geweest kunnen zijn, maar ik denk het niet. 

    Wachtend tot het mijn beurt was om de combi in te stappen, begon het verdict van de dokter door te sijpelen. De peri-menopauze was niet “begonnen”, die was er al “een hele tijd”, had ze gezegd. Die voortdurende vermoeidheid, maar toch slecht slapen? Stress, zonder gegronde reden? Spierpijn? Vergeetachtigheid? Ik moest me geen illusies meer maken. Daar op de parking viel zelfs met de beste wil ter wereld haar diagnose niet meer te relativeren.  De vergeten handrem was mijn olifant in de kamer: ik had dringend die back-uphormonen nodig.

    Dagen later leek ik met hernieuwde energie wel de wereld aan te kunnen. Die mist die zich in mijn kop genesteld had en die – zonder dat ik doorhad – steeds dikker was geworden, klaarde in enkele dagen op. Ik kon terug doorslapen en die spierpijn in nek en schouders bleef weg. Zo kan ik blijven opsommen, maar de conclusie is dat ik me sindsdien tien jaar jonger voel. Oké, de zon scheen buiten echt, maar het was alsof de zon binnenshuis bleef doorstralen. Oestrogeen smeren was beter dan aan de drugs zitten.

    Oestrogeen had Eva ook kunnen gebruiken. De theatervoorstelling ging over Adam en Eva die, na vele jaren samen, sorry tegen elkaar zouden zegen. Een tragikomedie was er ons beloofd. Eerst moest er natuurlijk een aanleiding zijn om tot dat “sorry zeggen” te komen. Jammer genoeg bestond die aanloop uit heel wat kabaal en heel veel ruzie en heel veel oude koeien die uit gracht gehaald moesten worden. Betalen om een avond naar een ruziënd echtpaar te kijken – zelfs al was het op de planken – vonden we maar niets. De wederhelft en ik waren halfweg al tot de conclusie gekomen dat we dat thuis zelf beter konden. Dat ruzie maken, bedoel ik. Niet het acteren. Dat deden de spelers uitstekend.

    Eva was in haar rol van vrouw op middelbare leeftijd heel erg op zichzelf gericht, en mijn inziens daardoor blind voor het hele plaatje. Net als haar Adam trouwens. Oestrogeen houdt ons gelukshormoon en knuffelhormoon in balans. Niet dat vrouwen zonder dat oestrogeen in depressieve einzelgängers veranderen; toch de drang van de vrouw om te “zorgen” in een relatie neemt wel danig af. Natuurlijk heeft dat een impact op de mannen waarmee levens worden gedeeld en waar – onbewust – dus ook zorg wordt voor gedragen.

    Ik denk dat de twee ruziemakers in het theaterstuk de botsingen die daarmee gepaard gaan wat onderkend hebben. Misschien wordt het door te veel mensen onderkend. Sommige botsingen worden ook pas zichtbaar, nadat de mist in de hoofden is opgeklaard. Misschien dat we door erover te praten tot een groter begrip komen. Voor elkaar én voor onszelf. Tine Embrechts zat met het televisieprogramma Menopauzia al in 2024 op dat spoor. Maar liefst zevenenzeventig procent van de vrouwen heeft in de peri-menopauze één of meerdere klachten die een impact hebben op hun dagdagelijkse leven. Schaamte is er één van.

  • 26 oktober 2025

    Generaties

    Tijd voor een terugblik op “Gen Alfa”, las ik ergens. Vanaf 2025 wordt “Gen Bèta” geboren. Dat wordt de eerste generatie die zich een leven zonder AI niet zal kunnen voorstellen. En ik die dacht dat we nog aan de Z zaten. Zonder dat ik het wist is er een hele generatie Alfa gepasseerd. Het is alsof er jaarlijks een nieuwe generatie opstaat. Dat is niet zo: “Gen Alfa” volgde in 2013 Generatie Z op. De jongste Gen Z-er is ondertussen ook alweer dertien jaar oud.

    De Babyboomgeneratie is de laatste die nog een periode van een kleine twintig jaar overspande. En meteen ook de laatste die nog een beschrijvende naam toegewezen kreeg. Vanaf dan werd er naar letters gegrepen. Luiheid in tijdsnood. Generaties volgden elkaar op. Sneller. Korter. Want waar de X en de Y nog voluit generaties werden genoemd, is er vanaf de Z afgeknibbeld op klinkers en medeklinkers. “Gen Z” is het en “Gen Alfa” en nu dus “Gen Bèta”.

    Net zoals hun steeds korter wordende aandachtspanne hield “Gen Alfa” het na twaalf jaar voor bekeken. Misschien maar goed ook als schermtijd, allergenen en obesitas je generatie zullen kenmerken. De mythe van de acht seconden concentratieduur is dan wel ontkracht, het is tekenend voor de huidige tijd dat alles sneller moet gaan en korter moet zijn. Ik troost me met de gedachte dat, ondanks het leeftijdsverschil, de Wederhelft en ik tot dezelfde generatie behoren. Hetzelfde team.

    Team Generatie X. De X stond oorspronkelijk voor “het onbekende”. Ongedefinieerde leegte. Zonder duidelijk doel. Sfeersponzen noemen het wel ’s de verloren generatie omdat de jeugd toen, na de tweede oliecrisis, afstudeerde in een tijdperk gekenmerkt door een hoge jeugdwerkloosheid. Dat wordt wel ’s vergeten. Ook nu met de pensioenhervorming. De generatie voor hen had actie gevoerd; tegen oorlog en voor idealen. Na 1979 bleef er enkel een kater over. Al die grote dromen, opgeslokt door het systeem, verdreven door de opkomende consumptiecultuur.

    Niet dat ik altijd de vrolijkste ben thuis, maar ik geef dan toch de voorkeur aan de luchtigere benaming “MTV-generatie”. Thuis komen van school, naar de televisie rennen en MTV opzetten. Zoet als een mok warme chocolademelk is de herinnering aan die tijd dat uren wachten op je favoriete clip heel gewoon was. Thriller, Vogue, Smells Like Teen Spirit, November Rain, de Silverstone-trilogie van Aerosmith. Dont’t go chasing waterfalls…

    Dat Paramount nu de stekker uit MTV trekt bezorgt me hartzeer, want MTV was niet zomaar een zender, het was de onzichtbare navelstreng die mijn generatie verbond met onze jeugd. Samen met de geboorte van “Gen Bèta” voelt het alsof er een volgende generatie wordt afgeschreven. Opvolging van de Boomers, inmiddels verworden tot spotwoord. Daar zijn de Wederhelft en ik bijlange nog niet klaar voor. Ik zou verdomme een opstand moeten organiseren, maar weet alleen niet hoe. Facebook is gekaapt door reclamebureaus. Tik-Tok gaat te snel. Vaste telefoonlijnen zijn verdwenen, hun nummers vervangen. Contacten vervaagd. ’t Lijkt me ook zo vermoeiend.

    Misschien moet een revolte niet groots zijn, oppert de Wederhelft. Misschien begint ze met een blog. Of nog beter: met een brief (op briefpapier en echte postzegels) of met een telefoontje zonder emoji’s. Onze generatie bewaarde nog nummers op briefjes in de keukenschuif en op oude tastbare concerttickets. Goede vrienden mochten in de telefoonklapper. We maakten mixtapes voor elkaar, gingen op de wilde boef bij elkaar langs, met vragen of problemen die niet direct te liken zijn. Misschien moeten we wat van die dingen terug in ere herstellen: kleine, eenvoudige gebaren als antidotum voor het verdwijnend menselijk contact. Het hoeft niet spectaculair te zijn, gewoon een begin…

  • 7 september 2025

    Koudwatervrees

    ‘Op een camping had je nu de douche naast de jouwe kunnen nemen. Handdoek snel effe rond je gewikkeld, slippers aan en wisselen van cabine.’ De Wederhelft was geagiteerd. Wakker gemaakt op een ontiegelijk vroeg uur. Voor hem althans. Perceptie is een niet te onderschatten iets. En al zeker niet wanneer je in de krappe onderbelichte ingebouwde kast van een vakantiewoning tussen de spinnenwebben op zoek moet naar de foutmelding op de chauffageketel. ‘Die douche ernaast had ongetwijfeld ook geen warm water gehad.’ Betweter.

    ‘Dan had je naar de sanitaire blok een honderd meter verder kunnen tenen. Er is op een camping áltijd wel érgens warm water!’ Hij had een punt. In het vorige vakantiehuis hadden we ook twee dagen geen warm water gehad. Het is iets dat me blijkbaar achtervolgt. Behalve op campings, dan. Maar goed, dacht de Wederhelft misschien dat ik te vermurwen was? Te overtuigen was om ooit nog ’s te gaan kamperen? ‘Wil je dat ik de anekdote van de kreunende Duitser in het damestoilet oprakel?’ ‘Die zat gewoon zijn gevoeg te doen!’ ‘En dat maakt het minder erg?’

    ‘Hoe belangrijk is die warme douche nu voor jou? Hier? Op dit eigenste moment?’ ‘Heel,’ antwoordde ik. Het was verdomme twee dagen geleden dat ik mijn haar nog had gewassen én ik kreeg de geur van dat vorte zeewier maar niet uit mijn neus. Of was het mijn hoofd. De wandeling langs de Bretoense kust twee dagen eerder was magnifiek. Als je over de bergen aangespoeld zeewier keek, tenminste. Zo ver het oog reikte lag het wier meters dik te rotten op het strand. Het was een ding geweest, hier in Frankrijk. Te rijk bemestte akkers. Kunstmest door klimaatverandering naar zee gespoeld. Boze boeren. Vice versa: overdadig verrijkt zeewier dat de stranden overspoelde. Boze toeristische sector. De boeren wonnen. Wat dachten die salauds de touristes wel?

    Op die wandeling zag ik een gemeenteambtenaar in een bulldozer een zielige poging ondernemen om een stuk strand vrij te maken. Ik had compassie met de stakker. En daarna met mezelf omdat ik langs de metershoge berg rottend zeewier moest passeren. Nooit van mijn hele leven heb ik zoiets smerigs geroken. Daarmee vergeleken geurt de vuilniswagen die de groene compostbakken leegt tijdens een hittegolf naar Chanel N°5. Ik steek nog liever mijn neus in een drol van de Haarbal dan nog ’s langs die berg te lopen. Na die wandeling heb ik een uur onder de douche gestaan. Én daarom heb ik me de dag erna – ik voelde me nog proper genoeg – er met een kattenwasje van afgemaakt. Instant karma. Nooit vertrouwen op de boiler van een vakantiehuis. Altijd douchen als je kan.

    De Wederhelft kwam naast me staan en terwijl hij de spinnenwebben van zich af plukte zei hij dat waar ik voor vreesde: ‘Ik krijg het ding zo niet aan de praat.’ Heel erg misnoegd bleven we naar de kapotte ketel kijken. Hij omdat hij slaap miste. Ik omdat ik dringend warm water nodig had. Achter ons begon de haarbal zacht te huilen. De scène had lang genoeg geduurd. Hij wilde gaan wandelen. ‘Mijn haar is vettig en ik stink,’ zeurde ik. ‘Op dit uur kom je niemand tegen,’ antwoordde de wederhelft en nog voor het einde van die zin, was hij al terug op weg naar de slaapkamer.

    Wat later, op de ochtendwandeling met de haarbal, passeerde ik een jonge vader die twee koters naar school bracht. Ze roken naar zeep. ’t Is geen mooie eigenschap, maar ik was jaloers en voelde me vuiler dan ervoor. Nog voor de Haarbal en ik terug waren had ik in mijn beste Frans een bericht naar de verhuurder gestuurd en dat die s’il vous plait haast kon maken met de herstelling. Een antwoord kregen we later die dag: ‘Ah mince désolée de na pas avoir répondu plus tôt’. Daarna volgde de uitleg hoe we het euvel zelf konden herstellen. Hoera.

    De Wederhelft werd meteen de krappe onderbelichte ingebouwde kast ingestuurd. Deze keer met petzl op de kop en op veilige afstand: een lief dat de instructies in slecht vertaald Nederlands dicteerde: ‘Je moet de twee kleine zwarte wieltjes opendraaien tot de druk op anderhalve Bar staat. Kan je ze zien? Kan je ze zien?’ Er volgde een zucht en daarna: ‘Op een camping, dus, had dit niet gehoeven! Ik zeg het maar…’ Ik gunde hem geen antwoord. Deed een vreugdedansje toen ik de ketel hoorde aanspringen en was tegelijkertijd verbijsterd  hoe snel spinnen van die grijze pluizige dikke webben kunnen maken. De Wederhelft had zonder twijfel de eerste douchebeurt verdiend.

  • 17 augustus 2025

    Het charmeoffensief

    Sinds de hittegolf enkele weken geleden is de Haarbal beginnen ruiven dat het geen naam meer heeft. Nieuwe wolkjes dansten over de vloer, luttele minuten nadat ik gestofzuigd had. Het kan niet anders dan dat zijn haar ongelooflijk snel weer aangroeit, want met de hoeveelheid verzamelde plukken en wolken had de Haarbal zonder overdrijven dit jaar al drie keer kaal moeten zijn geweest. Er kwam geen eind aan. Het was om moedeloos van te worden. En dat niet alleen. Er stelde zich een groter probleem. Een dat snel een oplossing nodig had.

    Een zestigste verjaardag vraagt om een bijzonder cadeau. En dat had ik gevonden. Een zeilcruise op een tweemaster, in Schotland, langs de lekkerste whiskystokerijen voor wie graag een turfsmaak lust. De Wederhelft was in de wolken. Ook al was de reis pas in april 2026 gepland. Bij het boeken van de reis viel er een portie geluk in onze schoot: er bleken plots nog kajuiten vrijgekomen te zijn op de trip van september dit jaar. Een goede week na die zestigste verjaardag. We legden alle pro’s en contra’s in de weegschaal en boekten voor september. De teller stond daarmee op zeven weken.

    Wat met de Haarbal, vroeg de Wederhelft. Dat komt goed, stelde ik hem gerust. Maar daarna heb ik vele nachten niet goed geslapen. Omdat de Wederhelft de Haarbal niet wilde laten castreren (van een man zijn ballen blijf je af!), is de Haarbal namelijk in geen enkele hondenopvang welkom. Enige resterende optie was de hulp van vrienden of familie inschakelen. Een charmeoffensief drong zich op.  De moed zakte me echter in de schoenen wanneer de Haarbal voor de zoveelste keer de losse haren van zich afschudde. In de zonnestralen was het beeld zowel poëtisch als horribel. Met de stofzuiger in de hand belde ik het hondenkapsalon voor een was- en pluksessie. Het was onze enige en laatste hoop.

    De Haarbal heb ik met al mijn kracht het kapsalon binnen gesleept en met nog méér kracht in de wasbak geworsteld. Het klantje voor hem, wiens baasje nog moest afrekenen, keek de Haarbal hooghartig aan vanuit zijn geprivilegieerde positie in de armen van de man. Netjes getrimd. Froufrou gebrusht. De eigenaar van het hautaine mormel wist niet dat Bassets knipbeurten konden gebruiken. Dat er ook honden zijn die haar verliezen, kwam niet bij hem op. Zijn opsomming van hypoallergene rassen die daarop volgde was lang en stemde tot nadenken. Hij stofzuigde niet elke dag.

    Als een vis op het droge probeerde de Haarbal zich het daaropvolgende uur uit mijn houtgreep te wriemelen. Hij houdt niet van hoogtes, dus die kaptafel vond hij maar niets. Net als de haardroger die al de losse haren mijn richting uitblies. Ik was nochtans voorbereid. Had een regenjas aan, kap op en dichtgesnoerd rond mijn nek. Twee dagen later niesde ik nog steeds hondenhaar, maar ook: drie dagen later, was het ruiven zo goed als gestopt. Witter dan wit, wasdraadfris en zacht als een knuffelbeer toornden we de Haarbal overal mee naar toe. Op commando, met de blik van een puppy, ging hij voorbeeldig op zijn mat zitten, alsof hij wist dat er iets verkocht moest worden.

    Dat lukte aardig. Voor even. De ranzige scheet die de Haarbal liet ontsnappen tijdens het ontbijt bij mijn schoonzus was een schot naast de roos. Net zoals het kwijlspoor dat hij door de woonkamer van onze vrienden trok nadat hij op een onbewaakt moment de hele drinkbak had opgeslobberd. Het zwarte tapijt dat hij stiekem verkoos boven de witte mat die we zelf hadden meegebracht was ook geen succes. Evenmin de kat die hij iets te enthousiast dag wilde zeggen. Finale doodsteek was echter de dolgedraaide spurt van een natte tuin naar de woonkamer en weer terug. En nog eens. En terug.

    Uiteindelijk is het goed gekomen. Twee prachtige (en bovendien erg lieve) voorstellen maken dat de Wederhelft en ik met een gerust hart op reis zullen kunnen vertrekken. Noot aan onszelf: hypoallergene honden hebben toch een pootje voor op een Basset. Een ander toegankelijker ras hadden we ongetwijfeld sneller kunnen slijten voor enkele dagen. En toch: we zouden ons kwijlende, ruivende, karton-etende, snurkende en koppige koekiemonster voor geen geld van de wereld willen ruilen.

  • 13 juli 2025

    Interne verhuis

    Nadat het brandalarm was afgegaan stonden we allemaal behoorlijk snel beneden bij het verzamelpunt. Uitgezonderd één iemand. Het “slachtoffer” dat was achtergebleven in de brandoefening bleek de grote baas. De na-wacht daar was “vergeten” zijn lokaal te controleren. Nu moeten alle medewerkers van het hele gebouw (en dat zijn er heel wat) de opleiding Veilig Evacueren volgen. Verplicht. En zo snel mogelijk. Alsof de zomer niet een van de drukste periodes in het jaar is.

    Ondertussen staat er ook een interne verhuis op stapel. Alle diensten in het gebouw moeten van plek wisselen. Een “projectmedewerker” heeft berekend dat er op vlak van oppervlakte, capaciteit en persoonlijke ruimte nog ruimte tot verbetering is. En zo verhuizen we elke legislatuur weleens van bureau. Elke keer om een andere reden. Zo’n verhuisbeweging moet bovendien zo goedkoop mogelijk, want kostenbewustzijn is een A-waarde.

    Die A-waarden zijn de heilige vijfvuldigheid van de Stad en moeten door alle medewerkers gerespecteerd worden. Behalve door projectmedewerkers. Misschien moet er ’s uitgerekend worden welke kosten er bespaard kunnen worden met het laten gaan van al die projectmedewerkers. Misschien kan de airco in onze bureau dan ’s deftig hersteld worden. Niet dat dat nog veel langer een probleem zal zijn. Want mijn team verhuist naar een betere plek. Althans dat is ons toch beloofd.

    De gebouwbeheerder loopt nu al een hele week lockers te tellen. Niemand die ze gebruikt, niemand die ze weet staan, en er is al helemaal niemand die om meer exemplaren vraagt. Maar het is alles of niets, dus als er lockers voorzien worden voor een deel van het personeel, moeten er zijn voor alle personeel. De gebouwbeheerder komt er dertig te kort en dertig aankopen is voor hem minder werk dan er vijfentachtig te verhuizen naar een loods ergens in de Stad. Die dertig zullen geleverd en geplaatst worden. Lekker makkelijk. Of er misschien dertig in die befaamde loods staan, is een vraag die hij zich niet stelt en waarvan hij wilt dat ze niet gesteld wordt, althans niet luidop. Ik weet niet welke A-waarde hij daarbij in zijn achterhoofd heeft.

    Het is trouwens niet alleen de gebouwbeheerder die sinds de aangekondigde verhuis de deur bij ons platloopt. De medewerkers van de dienst MHR (de dienst die naar onze bureau zal verhuizen) staan er met de regelmaat van een klok. Meetlint in de hand. Zij gaan van 14 vierkante meter per personeelslid naar de vooropgestelde 8 vierkante meter. 8 is de wetenschappelijk-onderbouwde-minimale-oppervlakte die een werknemer nodig heeft om zijn werk te kunnen uitvoeren zonder nadelige gevolgen voor zijn welzijn en gezondheid. Lees: net genoeg zodat we niet gek worden of elkaar in de haren vliegen.

    De pineuten van MHR proberen zich constructief op te stellen, persen steevast een glimlach op hun gezicht, maar zijn echt wel de grootste slachtoffers van de verhuis. Ach ja, dat waren wij de vorige legislatuur. Het moeten niet altijd dezelfde zijn.

    Zie je, wanneer ik door het raam naar buiten kijk (als de lamellen niet dicht zijn – want er zijn collega’s die liever in een grot werken dan wat zonlicht toe te laten), kijk ik nu uit op een metershoge grijze muur waar, als ik geluk heb, soms een meeuw op de rand van het dak gaat zitten. Dat is dan meteen, wat uitzicht betreft, het hoogtepunt van mijn dag. Aan de andere kant van het gebouw is er tenminste uitzicht op wat groen, enkele stadstuintjes en een boom of drie.

    Samen met de grotere ruimte die we krijgen, zullen we daar vast gelukkiger worden. Bovendien zijn de airco’s er niet stuk en is de zonnewering daar van beduidend betere kwaliteit. Ons nieuwe lokaal bevindt zich niet toevallig vlak naast dat van de grote baas. Nu is het nog kwestie niet te vergeten hem te redden bij de eerstvolgende brandoefening.

  • 29 juni 2025

    De Voerstreek

    Noot aan mezelf; De voerstreek is ook voor Nederlanders een ideale dichtbijvakantie. Exotisch bovendien, net over de grens, hélemaal in hún Zuiden. Een zakdoek groot is het pittoreske Wales van Vlaanderen, hier. Met twee fietstochten deden we alle knooppunten aan en de Haarbal heeft met drie wandelingen uit elke bron die niet droogstond gedronken. Ik wist dat het hier niet groot zou zijn, maar nu we er zijn, blijkt dat ik de uitgestrektheid lichtelijk had overschat. Amper vijftig vierkante kilometer groot is de streek. C’est tout. Letterlijk, want je steekt er aan de ene kant om de haverklap de taalgrens over waar ze (begrijpelijkerwijs) koppig Frans spreken.

    Net zo aan de andere kant: met de Nederlandse grens en hun aardige tongval. Dat je zo dicht bij hun grens geen mengtaaltje, laat staan een mengcultuur hebt, begrijp ik niet. Bijzonder is het, hoe de menukaarten (broodje kroket!) van twee naast elkaar gelegen etablissementen zo van elkaar kunnen verschillen. Soms hebben we de straat maar over te steken om hard schrapende g’s en ch’s op je bord te krijgen.  Gekke zinsconstructies gefabriceerd achter in de keel. En Luid. Vooral ook heel erg Luid. Alsof onze noorderburen van de andere kant van de straat willen roepen: “Wij komen eraan!”.

    Misschien is dat ook de bedoeling. Meter voor meter die “leuke” dorpjes rond de Voer inpalmen. Ik zie ze ’s nachts al met schoppen en pikhouwelen de grenspalen verplaatsen. Dat gebeurt enkel in mijn fantasie, natuurlijk. In werkelijkheid nemen ze gewoon de boel over. Eerst zie je vooral Nederlandse nummerplaten en daarna vindt je horeca die enkel in de weekends van de zomermaanden geopend is. Ook de vakantiehuizen zijn een voor een eigendom van Nederlanders en te huur aan prijzen waarvoor je in Frankrijk een villa kan krijgen. En onthoudt vooral; Charmant betekent klein. Gezellig betekent druk. Knus betekent donker.

    We huurden dus (achteraf gebleken van een Hollandse dame) een bijzonder knus huisje in een charmant gehucht, naast een gezellig terrasje dat enkel in het weekend open is. ‘We hoefden ons geen zorgen te maken.’ En zonder het rottende kadaver in de wei naast het keukenraam en de kapotte boiler in rekening te brengen, ging alles goed. Tot vrijdagnamiddag. Dan namen de huurders van het huisje naast het onze hun intrek. Gedempt nog eerst, want ze waren maar met z’n twee en twee Nederlanders maken niet echt veel lawaai.

    Toch, de man kon zijn geluk niet op toen hij een eerste stap zette in de gemeenschappelijke tuin en die zonder aarzelen tot de hunne uitriep. ‘Kijk Schat! Dit is ONZE tuin!’ Hij voegde de daad bij het woord en liet zijn hond los die zonder aarzelen op twee meter van de Haarbal tegen de hoek van ons terras kwam pissen. Nog voor ze halverwege de tuin waren, had ik ze al bijgebeend. Dat honden aangelijnd moesten blijven in?-de?-werkelijk?-gedeelde?-tuin?, had de man nergens in de gebruiksvoorwaarden gelezen, hoor. Dat hij die misschien dan nog maar ’s moest doornemen en in afwachting daarvan zijn mormel bij ons terras vandaan kon houden?

    Twee uur later banjerde hij met zijn mormel aangelijnd en in zijn kielzog nog ’s vier extra Hollanders door de tuin en voorbij ons terras. Smalend, deed hij dat. Alsof hij duidelijk wilde maken dat ik niet het laatste woord had gehad. ‘Ik ben daarnet misschien iets te direct geweest,’ zei ik tegen de Wederhelft. Zonder van zijn boek op te kijken, antwoordde die dat Nederlanders dat nodig hebben. Ze gaan luid zijn, dacht ik, maar blijkbaar zei ik dat luidop. ‘Dat zijn ze altijd, daar ga jij niets aan kunnen veranderen.’ En zo geschiedde: in de tuin, op het terras van het cafeetje naast het onze en overal waar we kwamen in het stukje België dat een Nederlandse enclave is geworden.

    Tweede noot aan mezelf (ik heb het opgezocht); De landen waar Nederlanders het minst vaak naar toe reizen zijn Albanië, Noord-Macedonië, Bosnië & Herzegovina, Slowakije en Roemenië. Daar zijn vast toeristische regio’s, een zakdoek groot, meer hoeft het niet te zijn, waar het écht charmant, gezellig en knus is.

1 2 3 … 10
Volgende pagina→
About

Privacy Policy

Terms & Conditions

Subscribe
Contact

Work with me

Services

Blog op WordPress.com.

  • Abonneren Geabonneerd
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Voeg je bij 67 andere abonnees
    • Heb je al een WordPress.com-account? Nu inloggen.
    • GEBEUR-TE-LIJKE ONGEVALLEN
    • Abonneren Geabonneerd
    • Aanmelden
    • Inloggen
    • Deze inhoud rapporteren
    • Site in de Reader weergeven
    • Beheer abonnementen
    • Deze balk inklappen